Nadat hij een paar biertjes had gedronken voelde hij zich stukken beter. Een baantje zoeken, maar waar? Hij liep met zijn weekendtas in de hand langs een paar uitzendbureaus en keek wat er in de aanbieding was. Pompbediende, medewerker productie, wat hij zag leek hem niet bij zijn niveau te passen. Callcenter medewerker misschien? Maar wat was zijn niveau eigenlijk? Vwo-er, mislukte student, ex-gedetineerde. Vier weken onvoorwaardelijk had hij uitgezeten, wat hij een ongehoord zware straf vond voor wat hij had gedaan. Nou ja, wat wist hij er ook van? Sinds zijn eindexamen vwo was hij niet veel opgeschoten met zijn leven.
Die ochtend was Peter bijna met tegenzin naar buiten gestapt uit het Huis van Bewaring. De deur was achter hem dichtgeslagen als een kluis. Zijn moeder zat in haar auto op de parkeerplaats, vlak tegenover de ingang van de bajes. Hij zag de rook van haar sigaret uit het raampje recht naar boven stijgen in de koude vrieslucht.
Hij wist niet of zij hem had opgemerkt, maar toen hij naar haar auto liep, stapte ze uit, liep om de auto heen, opende de kofferbak en hield het portier voor hem open. Het gebaar was hoffelijk en tegelijkertijd voelde hij een afstandelijkheid die hem een koude rilling bezorgde. Hij gaf haar een vluchtige zoen op de wang, gooide zijn weekendtas achterin en stapte naast haar voor in de auto.
‘Dag mam’, zei hij. ‘Terug in de echte wereld’. Ze sprak nu eindelijk, terwijl ze hem voor het eerst vluchtig aankeek. Ze nam een laatste trek aan haar sigaret en maakte een heftige beweging met haar hand, waardoor de brandende peuk op de vloer van de auto viel. Haastig pakte ze hem op, opende het raampje en gooide hem naar buiten. ‘Dat kan er ook nog wel bij’, zei ze. ‘Waarbij?’ ‘Bij jou.’
Hij haalde zijn schouders op. ‘We zijn weer thuis’, mompelde hij. Hij had zijn moeder gevraagd wat ze van plan was te gaan doen. ‘Want ik zou wel weer eens even lekker willen douchen. En behoorlijk eten natuurlijk.’ ‘Naar huis? Je vader ziet je aankomen’, zei ze. ‘Je weet hoe hij is. Nee, we zijn nu wel aan de grenzen van onze mogelijkheden gekomen. Ik ga je naar het station brengen, ik geef je wat geld mee en dan moet je maar eens zien dat je zelfstandig wordt en een baantje vindt. En weer aan de studie natuurlijk!’ Zijn moeder was snel het parkeerterrein afgereden, de weg op in de richting van het centrum. Zij zaten zwijgend naast elkaar. Bij het station stopte ze, trok stevig de handrem aan.
‘Zo, tot hier en niet verder.’ Ze pakte een envelop uit haar tas en gaf die aan hem. ‘Hier kun je de eerste dagen wel mee doorkomen totdat je een baantje hebt gevonden. En pak in ’s hemelsnaam je studie snel weer op! Laat maar eens wat van je horen als het beter met je gaat.’ Hij pakte de envelop aan, maakte hem open en zag een paar briefjes, hooguit genoeg om een paar dagen van te eten. Op zijn rekening stond ook niet veel meer. Hij gaf zijn moeder een kus. ‘Dank je mam’, zei hij.